Aardbewoners die rond 1500 bij het ochtendgloren wakker werden, zouden de zon echt omhoog hebben zien gaan, opstijgen. Zij waren ervan overtuigd dat zon, maan en sterren rond de aarde draaiden. Stond immers niet in het bijbelboek Jozua hoofdstuk 10 vers 12-14 dat Jozua tot God tijdens de veldslag tegen de Amorieten bad om de zon en de maan stil te laten staan opdat Israël de strijd zou kunnen afmaken en dat God zijn gebed verhoorde? Een paar eeuwen later weten we beter: de oostelijke horizon daalt naar beneden, de aarde is namelijk een bol die draait en ook nog eens om de zon. Niet de aarde met zijn bewoners staat vast in het middelpunt van het heelal, zelfs de zon niet. Ons zonnestelsel is een minuscuul stipje in een heelal waar alles beweegt. Het enige object dat om de aarde draait is de maan. De Pool Copernicus durfde deze veronderstelling, tegen de gangbare opvatting in, op papier te zetten.
De jeugd, studie en beroep van Nicolaus Copernicus
Copernicus zag het levenslicht op 19 februari 1473 in Toruń, een handelsstad in het toenmalige Koninkrijk Polen. Zijn ouders noemden hem Mikołaj. Zijn vader was een welgestelde koopman, zijn moeder kwam uit een rijke en invloedrijke familie. Toen Copernicus ongeveer tien jaar oud was, stierf zijn vader. Daarna zorgde een broer van zijn moeder voor zijn opvoeding en studie.
Copernicus’ studies
Copernicus studeerde eerst in Krakau. Daar volgde hij vakken als wiskunde, astronomie, filosofie en Latijn. Vooral astronomie trok zijn aandacht. Later vertrok hij naar Italië om verder te leren. Hij studeerde daar kerkelijk recht en vervolgens geneeskunde. In 1503 behaalde hij een doctoraat in kerkelijk recht .
Hoewel Copernicus vooral bekend is als astronoom, had hij meerdere beroepen. Hij werkte officieel als kanunnik, een belangrijke functie binnen de katholieke kerk. Daarnaast was hij arts, bestuurder, econoom en wetenschapper.
Zijn ontdekking
In zijn vrije tijd deed hij astronomische waarnemingen en ontwikkelde hij zijn beroemde theorie dat de aarde en de andere planeten om de zon draaien. Deze stelling schokte velen. Het ging in tegen een vele eeuwen oude zienswijze, tegen wat de bijbel vertelde en, wat misschien nog de meeste aanstoot gaf, het haalde de mens uit het middelpunt van het heelal. Het uitspansel draaide niet meer om dit wezen. Het geocentrisch wereldbeeld, gangbaar sinds de Oudheid en de Middeleeuwen, had afgedaan en moest vervangen worden door een heliocentrisch wereldbeeld (helios=zon).
Het boek van Nicolaus Copernicus
Het boek waarin hij het nieuwe wereldbeeld beschrijft, heeft als titel ‘De revolutionibus orbium coelestium’ (Over de omwentelingen van de hemellichamen) en is gepubliceerd in 1543, het jaar van zijn overlijden. Copernicus heeft er jaren aan gewerkt.
Het boek bestaat uit twee delen. Deel 1 omvat alleen hoofdstuk 1. Dit bevat het betoog waarin Copernicus het nieuwe wereldbeeld verdedigt. Het is bestemd voor de belangstellende en niet al te zeer in wiskunde geschoolde lezer.
Het tweede deel, dat de hoofdstukken 2 tot en met 6 omvat, is geschreven voor de beroepsastronoom. Het geeft in streng wetenschappelijke vorm zeer gecompliceerde berekeningen van het stelsel en zijn nog helemaal gebaseerd zijn op de traditionele voorstelling van ons planetenstelsel. Wat verbaast is dat dit deel niet het in deel 1 beschreven model van het zonnestelsel als uitgangspunt voor de wiskundige berekeningen neemt, maar het vanouds bekende geocentrische stelsel.
Het Voorwoord
Het boek heeft een voorwoord. Dat is geschreven door de Lutherse predikant Osiander, aan wie het toezicht op het drukken was toevertrouwd. Deze vermoedde hoogstwaarschijnlijk dat er over de inhoud van deel 1 een hooglopende strijd zou ontstaan, zal zelf ook bezwaren hebben gehad en schreef dat de in dit deel beschreven theorie over de beweging van de aarde als een mathematische fictie zonder enige werkelijkheidsaanspraak moest worden begrepen. Niet dus als een beschrijving van de realiteit. Lang heeft dit voorwoord verontwaardiging gewekt. Tegenwoordig denkt men er anders over. De gedachte dat de aarde zelf zou draaien en ook nog eens om de zon druiste zo in tegen de bestaande wereldbeschouwing die ook nog eens ondersteund werd door de kerk, de bijbel en de toen bestaande wetenschap, dat men inderdaad wel grote moeilijkheden kon verwachten. Die ontstonden ook, zij het pas ongeveer een halve eeuw na de dood van Copernicus. De Staten van Holland raakten er in de persoon van raadspensionaris Johan de Wit zelfs even bij betrokken. (Israel, 2001, blz. 28).
Einde Middeleeuwen
Copernicus’ ‘hypothese’ van de draaiende aarde, kwam overigens niet helemaal uit de lucht vallen. Ze heeft voorlopers gehad. Tot het volledig uittekenen van een nieuw planetenstelsel kwamen deze geleerden echter niet. Het is te danken aan Copernicus’ arbeidzaamheid, creativiteit en vernuft om eerdere losse ideeën om te zetten in een systeem dat voor de natuurwetenschap, voor de wereldbeschouwing van mensen en de westerse beschaving diepingrijpend is geweest.
Mijns inziens ook voor het ontstaan van de sociale wetenschappen. De bloei van wetenschappen is sowieso altijd afhankelijk van de verbeeldingskracht en noeste arbeid van individuen of – in de huidige tijd – van mensen die gedisciplineerd samenwerken in een hechte groep. Terecht laten historici de Middeleeuwen eindigen in 1453 en de Nieuwe Tijd dan beginnen.
Bronnen
Dijksterhuis, E. J. (2000). De mechanisering van het wereldbeeld. Amsterdam: Meulenhoff. Met een nawoord van prof. dr. K. van Berkel. Herdruk van de eerste uitgave van 1950.
Israel, J. I. (2001). Radical Enlightenment. Philosophy and the Making of Modernity 1650-1750. Oxford: University Press.
