Tijdens het vele onderzoek naar de oorzaken van de klimaatverandering werd snel duidelijk dat de fysische oorzaken nog niet eens zo erg lang geleden in West-Europa ontstonden. Daar, in een relatief klein gebied, kwamen inzichten en gedragswijzen tot stand die de manier waarop mensen leefden veranderden en veraangenaamden.
Er ontstonden verbeterde werktechnieken, er doken realistischer economische en politieke inzichten op en er ontwikkelde zich een andere kijk op de natuurlijke omgeving. Daarnaast leidden alternatieve morele overtuigingen tot nieuwe gewoonten en een andere meer menswaardige en genoeglijke cultuur.
Dit alles vond plaats in een werelddeel waar het christendom de heersende godsdienst was. Dat roept vanzelfsprekend de vraag op naar het aandeel van deze religie in het ontstaan van de klimaatcrisis. In hoeverre is het christendom medeschuldig aan het uitbreken van de klimaatverandering en als dat zo is, in welk opzicht kan het christelijk geloof dan een bijdrage leveren aan de oplossing ervan? Of staat het een oplossing juist in de weg? Daar gaat het hier over.
De historicus Lynn White publiceerde in 1967 een opzienbarend artikel dat tot op de dag van vandaag christelijke theologen bezighoudt. Hij schreef namelijk dat aan het ontstaan van de klimaatcrisis opvattingen binnen het christendom een bijdrage hadden geleverd en wist zijn betoog met krachtige argumenten te staven. De vele boeken en artikelen die na 1967 over dit onderwerp verschenen vat men doorgaans samen onder de term Ecotheologische ontwikkelingen. Daarnaast ontstaat er in onze tijd een groeiende stroom aan spirituele, niet op het christendom geënte, levensbeschouwingen, die velen weten te inspireren tot een duurzame omgang met de natuur. Daarnaar verwijs ik in Donkergroene religies.
