René Descartes, Fransman, 1596-1650

René Descartes kan worden beschouwd als een van de belangrijkste denkers uit de geschiedenis van de westerse filosofie en wetenschap. Zijn idee over de aard van de stoffelijkheid van het menselijk lichaam en dat van voorwerpen om ons heen heeft diepgaand invloed gehad op de manier waarop mensen kennis zijn gaan vergaren en deze kennis weer gingen toepassen. Door zijn streven naar zekerheid en zijn vertrouwen in de menselijke rede werd Descartes een van de grondleggers van het moderne denken.

Jeugd en familie

René Descartes werd geboren op 31 maart 1596 in La Haye en Touraine, een plaats in Frankrijk die tegenwoordig zijn naam draagt: Descartes. Zijn vader, Joachim Descartes behoorde tot de lagere ambtelijke adel en was jurist en lid van het hooggerechtshof van Bretagne. Zijn moeder, Jeanne Brochard, kwam uit een welgestelde familie. Zij overleed toen René nog geen jaar oud was. De jonge Descartes groeide daardoor grotendeels op onder de zorg van familieleden en een voedster.

Als kind was hij vaak ziek en kwetsbaar. Deze zwakke gezondheid heeft zijn intellectuele ontwikkeling zeker beïnvloed. Hij kreeg meer rust dan andere kinderen. Misschien dat hij het daardoor gewoon werd om lange tijd alleen te zijn, te dromen en na te denken, een eigenschap die hem later hielp verschijnselen om hem heen te doorgronden.

Onderwijs aan het jezuïetencollege

Op tienjarige leeftijd werd Descartes toegelaten tot het prestigieuze Collège Royal Henry-Le-Grand in La Flèche. Dit was een van de beste onderwijsinstellingen van Europa. Ze werd geleid door jezuïeten, die bekendstonden om hun grondig en veeleisende onderwijs.

Jezuïetenscholen hielden prestaties van leerlingen systematisch bij. Leerlingen werden regelmatig geëxamineerd, met elkaar vergeleken en ingedeeld naar niveau. Leraren rapporteerden hun vorderingen soms ook aan ouders. Dat lijkt op de voorloper van het moderne rapport.

Daar in La Flèche kreeg Descartes een brede opleiding in onder andere klassieke talen, filosofie, theologie en natuurwetenschappen. Daar in La Flèche kwam ook steeds meer twijfel bij hem op over de betrouwbaarheid van veel traditionele kennis.

Hij merkte dat veel opvattingen gebaseerd waren op autoriteit in plaats van op bewijs, een kenmerk dat ook Galilei in Italië hinderde en rechtstreeks te maken had met het gezag dat men aan de bijbel en klassieke auteurs als Aristoteles, Plato, Galenus, Ptolemaeus en Boëthius toekende.

Tijdens zijn studie ontwikkelde hij een bijzondere belangstelling voor de wiskunde. Wiskunde leek hem gebaseerd op heldere principes en logische redeneringen die tot zekere conclusies leidden. Die ervaring zou later de basis vormen voor zijn filosofische methode.

Na zijn opleiding in La Flèche studeerde hij rechten aan de Universiteit van Poitiers. Toch voelde hij zich niet aangetrokken tot een juridische carrière. Hij wilde de wereld leren kennen en zelfstandig onderzoek doen.

Reizen en intellectuele ontwikkeling

Na zijn studie trad Descartes enige tijd in militaire dienst, gebruikelijk voor jongelieden van zijn stand. Hij diende in verschillende legers. Tijdens zijn diensttijd onder prins Maurits gedurende het beleg van Breda, ontmoette hij de begaafde Nederlander Isaac Beekman, die hij een wiskundige oplossing aan de hand deed voor de snelheid van een vallend voorwerp in relatie met de tijd.

Een beslissend moment in zijn leven vond plaats in 1619. Tijdens een verblijf in Duitsland kreeg hij, volgens zijn eigen beschrijving, een reeks bijzondere dromen en inzichten. Hij raakte ervan overtuigd dat de verschillende wetenschappen met elkaar samenhingen en dat het mogelijk moest zijn één algemene methode te ontwikkelen om tot zekere kennis te komen. Vanaf dat moment zag hij het als zijn levensopdracht om een betrouwbare methode voor wetenschap en filosofie te ontwikkelen.

Descartes naar Nederland

In 1628 verhuisde Descartes naar de Nederland. Deze verhuizing was van groot belang voor zijn verdere leven en werk. Nederland, waar het calvinisme een bevoorrechte positie had, maar sinds 1579 gewetensvrijheid was erkend, was in de zeventiende eeuw een relatief tolerant land waar wetenschappers en denkers meer vrijheid genoten dan in veel andere Europese staten. Daar vond hij rust en intellectuele vrijheid.

In 1629 liet hij zich inschrijven aan de universiteit van Franeker, toen de tweede universiteitsstad in de Nederlanden. Een erfenis maakte het hem mogelijk om zijn tijd te besteden aan studie en onderzoek.

Gedurende meer dan twintig jaar woonde hij op verschillende plaatsen, waaronder Amsterdam, Leiden, Utrecht, Deventer, Egmond en andere steden en dorpen. Hij verhuisde vaak, deels om zijn privacy te beschermen en zich volledig op zijn onderzoek te kunnen concentreren.

Tijdens een van zijn verblijven in Amsterdam verwekte Descartes in 1634 bij de huishoudelijke hulp van zijn huisbaas een kind. Het bleek een meisje, maar zij stierf op vijfjarige leeftijd. Wij weten dat Descartes erg op haar gesteld was. In het doopboek van de calvinistische gemeente te Deventer staat zij beschreven als Fransintgen.

Zijn zoektocht naar een betrouwbare wetenschappelijke methode

Aan het experiment in de betekenis die wij er nu aan geven, kende Descartes een geringe plaats toe. Hij onderzocht, dacht na, publiceerde en correspondeerde. Hij was zich bewust van het feit dat zijn opvattingen over ware kennis in strijd waren met de leer van de katholieke kerk.

Toen hij hoorde van de veroordeling van Galilei in 1633 maakte dat zo’n diepe indruk op hem (Descartes was rooms-katholiek) dat hij alle werk in de steek liet, even afzag van zijn voornemens om te publiceren en een tijd lang niets meer van zich liet horen. Zijn vrienden vreesden zelfs dat hij was overleden.

In 1637 verscheen dan toch, maar wel anoniem, zijn bekendste boek, de Discours de la méthode. In ruil voor royalties kreeg hij er tweehonderd present. Exemplaren stuurde hij op naar ondermeer de koning van Frankrijk, vroegere docenten, Constantijn Huygens en P. C. Hooft. Hij beschreef er een methode in om tot zekere kennis te komen, kennis die juister zou zijn dan hem in La Flèche was voorgehouden.

In dit werk formuleerde hij zijn beroemdste uitspraak: “Cogito, ergo sum” – “Ik denk, dus ik ben.” Volgens Descartes kan iemand aan alles twijfelen, maar niet aan het feit dat hij twijfelt, dus denkt. Vanuit dit niet te betwijfelen inzicht (‘axioma’) , probeerde Descartes met de wiskunde als voorbeeld, een systeem op te zetten om aan kennis te komen die correct is. Ook Galilei bewonderde de wiskunde. Maar voor hem drukten de bewegingsregels van alle objecten aan de hemel en op aarde zich uit in de taal van de wiskunde.

Voor Descartes was de wiskunde, die redeneerde vanuit axioma’s naar stellingen, een systeem om tot zekere kennis te komen. Kennis die “het ons mogelijk maakt […] als het ware heer en meester der natuur […] (te) kunnen worden”. (Descartes,1977, blz. 79). Dat wordt sinds Descartes het ideaal: om de veelheid aan verschijnselen rondom de denkende mens aan zijn ratio te onderwerpen, zodat de natuur beheersbaar en maakbaar wordt. Wat destijds nog een utopisch vergezicht was, heeft vijf eeuwen later geleid tot technologieën die het voortbestaan van de mens kunnen bedreigen.

Zijn boek Discours de la methode in 1937 vertaald door Helena C. Pos en ingeleid door prof. dr. H. J. Pos hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam is hier op internet te vinden.

Zijn leer over twee substanties

Een tweede inzicht dat we bij Descartes tegenkomen, is dat het wezen van de materiele wereld alleen maar ‘uitgebreidheid’ is. Zij toont weliswaar kleuren, reuk, smaak, weekheid of hardheid, maar dat zijn slechts bewustzijnstoestanden. Het zijn niet meer dan subjectieve kwaliteiten die we in de omgang met materiedelen aantreffen.

Materie neemt altijd ruimte in, heeft een vorm en is vaak in een bewegingstoestand. De fysica bestudeert materiele vormen. Maar juist omdat hun wezen uitgebreidheid is, is de wiskunde (meetkunde en algebra) volgens Descartes het aangewezen middel om de bewegingen van materie in kaart te brengen.

Elke gedachte aan bezieldheid, doelgerichtheid of spontane verplaatsing schakelt Descartes uit. Met dit inzicht gaf hij het startsein voor de opkomst van een mechanistisch wereldbeeld waarvan we vandaag niet alleen de grote voordelen genieten, maar ook de ecologische en existentiële rekening gepresenteerd krijgen.

Naast materie treffen we alleen bij mensen ook geest aan, of beter: het denken. De geest mist in alle opzichten wat de materie wel bezit: uitgebreidheid. De mens is het enige wezen dat beide substanties bevat.

De ‘Republique des Lettres’

Een groot deel van Descartes’ werk bestond uit correspondentie. Een belangrijke correspondentievriend was Marin Mersenne. Mersenne woonde in Parijs en was een Franse theoloog, filosoof, wiskundige en natuuronderzoeker.

In de zeventiende eeuw bestonden er nog geen wetenschappelijke tijdschriften of academische netwerken zoals wij die nu kennen. Mersenne fungeerde als een soort ‘levende postcentrale’ van de Europese wetenschap.

Hij onderhield correspondentie met tientallen geleerden, onder wie: René Descartes, Blaise Pascal, Galileo Galilei en Thomas Hobbes.

Via brieven verspreidde hij nieuwe ideeën, ideeën van anderen, onderzoeksresultaten, wiskundige problemen en kritiek. Daardoor werd hij wel het centrum van de zeventiende-eeuwse République des Lettres (Republiek der Letteren) genoemd, een verzameling van geleerden in Europa dwars over politieke grenzen heen.

Voor Descartes was Mersenne van onschatbare waarde: Mersenne bracht Descartes’ ideeën onder de aandacht van andere geleerden in Europa, hij stuurde manuscripten rond en verzamelde reacties. Toen Descartes zijn beroemde ‘Meditationes de Prima Philosophia’ publiceerde, zorgde Mersenne ervoor dat vooraanstaande filosofen en theologen bezwaren konden opstellen.

Mersenne stelde daarnaast kritische vragen over Descartes’ natuurfilosofie, metafysica en wiskunde. Zonder Mersenne zouden Descartes’ ideeën waarschijnlijk veel minder snel en minder breed over Europa verspreid zijn geraakt (Grayling, 2016, blz. 149 – 164).

Elizabeth van de Palts

Een bijzonder belangrijke gesprekspartner voor Descartes was ook Prinses Elizabeth van de Palts. Zij is vooral bekend vanwege haar filosofische correspondentie met René Descartes, waarin zij enkele van de scherpste kritieken op zijn filosofie formuleerde.

Haar vader Frederick V aanvaardde in 1619 de Boheemse kroon, maar verloor die al snel na een nederlaag van de protestanten tegen de katholieke Habsburgers. Het gezin moest vluchten en vestigde zich in Den Haag, waar stadhouder Maurits van Nassau (een neef) hen bescherming bood.

Elizabeth bleek nieuwsgierig en zeer intelligent. Via geleerde en adellijke kringen kwam Elizabeth met Descartes’ werk in aanraking. In 1643 begon een briefwisseling die zou uitgroeien tot een van de beroemdste filosofische correspondenties uit de zeventiende eeuw. In een van haar brieven stelde zij hem de vraag: “Als geest en lichaam twee volledig verschillende substanties zijn, hoe kan de geest dan het lichaam beïnvloeden?”

Een overtuigend antwoord heeft Descartes niet gegeven en tot op de dag van vandaag geldt deze vraag nog steeds als een van de sterkste bezwaren tegen het cartesiaanse dualisme.

Veel historici menen dat Elizabeth een belangrijke rol speelde bij de ontwikkeling van Descartes’ latere denken. Nogmaals: hun briefwisseling behoort tot de belangrijkste filosofische correspondenties uit de zeventiende eeuw.

Analytische meetkunde

Naast zijn filosofische werk leverde Descartes ook een revolutionaire bijdrage aan de wiskunde. Zijn ontwikkeling van de analytische meetkunde wordt beschouwd als een van de grootste doorbraken in de geschiedenis van de wetenschap.

In Descartes’ tijd werden meetkunde en algebra meestal als afzonderlijke vakgebieden beschouwd. Hij liet zien dat meetkundige figuren konden worden beschreven met behulp van algebraïsche vergelijkingen. Hierdoor ontstond het cartesische coördinatenstelsel, dat leerlingen in het voortgezet onderwijs nog steeds leren gebruiken. .

Botsing tussen rationalisme en calvinistische orthodoxie

Het conflict tussen René Descartes en Gysbertus Voetius, hoogleraar theologie en sinds 1641 rector magnificus van de universiteit van Utrecht, was een van de bekendste intellectuele twisten van de zeventiende eeuw.

Voetius was een invloedrijke, strenge calvinistische theoloog, die zeer vijandig stond tegenover katholieken. Hij verzette zich hevig tegen Descartes omdat hij meende dat diens nadruk op twijfel en de menselijke rede het gezag van de Bijbel, de gereformeerde orthodoxie en de traditionele universitaire filosofie ondermijnde.

Voetius liet Descartes’ opvattingen officieel veroordelen. Descartes reageerde fel met pamfletten en open brieven waarin hij Voetius aanviel. Ook de universiteit van Leiden werd in de strijd betrokken. Ook daar kwamen aanhangers van de filosofie van Descartes en voorstanders van de orthodox-calvinistische theologie tegenover elkaar te staan.

Het kwam op den duur zelfs zo ver dat raadspensionaris Johan de Wit er indirect bij betrokken raakte. De Wit had als jonge student in Leiden gestudeerd, had een sterke belangstelling voor wiskunde en natuurwetenschap en onderhield contacten met geleerden die beïnvloed waren door het denken van René Descartes.

In 1656 bepaalden de Staten van Holland dat de strijd tussen Voetianen en Cartesianen moest stoppen. Hoogleraren mochten elkaar niet langer publiekelijk bestrijden, filosofie en theologie moesten gescheiden blijven. Het decreet verbood niet expliciet de leer van Descartes, maar verbood wel disputen daarover. Daarmee koos de overheid voor rust en intellectuele vrijheid boven een orthodoxe veroordeling van het cartesianisme.

Laatste jaren in Zweden

In 1649 ontving Descartes een uitnodiging van Koningin Christina om naar Zweden te komen. Christina was zeer geïnteresseerd in wetenschap en filosofie en wilde persoonlijk les krijgen van de beroemde denker.

Na lang aarzelen, besloot hij de uitnodiging te accepteren. Hij verhuisde naar Stockholm, waar hij echter moeite had zich aan te passen aan het strenge klimaat en het dagelijkse ritme van het hof. De koningin verlangde dat haar lessen al vroeg in de ochtend zouden plaatsvinden, vaak rond vijf uur.

Voor iemand die gewend was laat op te staan en lange tijd in bed te lezen en te denken, was dit een zware belasting. Op 11 februari 1650 stierf René Descartes in Stockholm, hoogstwaarschijnlijk aan een longontsteking.

Na zijn dood werd Descartes meerdere keren herbegraven, raakte zijn schedel van zijn lichaam gescheiden en bevinden lichaam en schedel zich tegenwoordig op verschillende plaatsen in Parijs.

De invloed van Descartes

Na zijn dood bleef zijn invloed groeien. Zijn werken werden gelezen, besproken en bekritiseerd door generaties filosofen en wetenschappers. Denkers als Baruch Spinoza, Gottfried Wilhelm Leibniz en Immanuel Kant bouwden voort op zijn ideeën of reageerden erop.

We herinneren ons hem als een van de invloedrijkste intellectuelen uit de geschiedenis. Zijn streven naar helderheid, zekerheid en rationeel onderzoek heeft blijvend vorm gegeven aan de moderne wetenschap en filosofie.

Na Descartes verdween de scholastiek niet meteen. De scholastiek als wetenschappelijke methode is een manier om kennis te ontwikkelen door gezaghebbende teksten systematisch te bestuderen, begrippen nauwkeurig te definiëren en tegenstrijdige argumenten via logisch redeneren met elkaar te verzoenen.

Ze was vooral kenmerkend voor middeleeuwse universiteiten en sterk beïnvloed door Aristoteles. Haar dominante positie kwam na Descartes wel steeds sterker onder druk te staan. Zijn nadruk op methodische twijfel, de rede en zekere kennis droeg bij aan een brede verschuiving weg van de middeleeuwse scholastieke traditie.

René Descartes en Galileo Galilei behoren beiden tot de grondleggers van de moderne wetenschap, maar hun opvattingen over de wetenschappelijke methode verschilden aanzienlijk. Hun verschil kan worden samengevat als rede versus ervaring, hoewel beide uiteindelijk beide elementen gebruikten.

De vraag die Elizabeth van de Palts aan hem stelde over de relaties tussen lichaam en geest is tot op de dag van vandaag onopgelost. Dit ‘mind-body’ probleem wordt onderzocht in de wetenschap van de filosofie van de geest en de neurowetenschappen.

Descartes wordt in onze tijd bekritiseerd omdat hij de natuur beschouwde als een mechanisch systeem dat door mensen onderzocht en beheerst kon worden. Deze beschouwing van de natuur heeft overigens sterk bijgedragen aan de ontwikkeling van de medische wetenschap.

Sommige milieufilosofen menen dat deze houding, extra opgeladen door de betekenis die men gaf aan Genesis 1:28, ook heeft bijgedragen aan een wereldbeeld waarin de natuur vooral als hulpbron wordt gezien en zonder enig voorbehoud geëxploiteerd kan worden. Zij pleiten voor een meer wederkerige relatie tussen mens en natuur.

In een tijd van polarisatie, desinformatie en ideologische tegenstellingen is Descartes’ oproep tot kritisch denken nog steeds relevant. Hij moedigt ons aan om overtuigingen niet zomaar te accepteren, maar argumenten zorgvuldig te onderzoeken.

Bronnen
Descartes R. (1977). Over de methode. Inleiding over de methode; hoe men zijn verstand goed kan gebruiken en de waarheid achterhalen in de wetenschappen. Amsterdam/Meppel: Boom. Vertaling en inleiding Th. Verbeek. Oorspronkelijke tekst Discours de la méthode, verschenen in 1637 te Leiden.

Descartes, R. (1992). Meditaties over de eerste filosofie waarin het bestaan van God en het onderscheid tussen menselijke ziel en lichaam worden bewezen. Amsterdam / Meppel: Boom. Vertaling en inleiding Wim van Dooren. Oorspronkelijke tekst Meditationes de prima philosophia, verschenen in 1641 te Parijs en in 1642 te Amsterdam.

Draaisma D. (2004). ′Een droevige zaak′. Damasio over Descartes, hersenen en emoties. Groningen: Historische Uitgevrij.

Grayling, A. C. (2016). De tijd van het genie. De zeventiende eeuw en de geboorte van het moderne denken. Amsterdam: Hollands Diep.

Hoeven, P. van der (1972). Descartes. Wetenschap en wijsbegeerte. Baarn: Wereldvenster.

Verbeek, Th. (1996). De Wereld van Descartes. Essays over Descartes en zijn tijdgenoten. Amsterdam: University Press.

Dit artikel delen: